donderdag 24 december 2015

Kerst(feest?)


Kerst. Feest van en voor vrede. Feest van bij elkaar zijn. Feest van lekker eten en drinken. Feest van bezinning. Een feest van en voor mensen. Juist! Want voor de niet menselijke dieren is er weinig feestelijks aan de kersttijd.

Bij voorbeeld de ‘levende’ kerststallen. Een bron van stress voor de dieren. Lawaai, aaiende en joelende kinderen, muziek, ongeschikte ruimtes, vandalisme en het heen en weergesleep. Maar zij (over)leven in ieder geval dan nog.

Dode dieren, al dan niet in herkenbare onderdelen gefragmenteerd, vormen nog steeds een essentieel onderdeel van de kerstdis. Het feest van het Leven kan kennelijk niet goed worden beleefd zonder daar miljoenen dierenlevens voor op te offeren. Konijnen, ganzen, fazanten, hazen, reeën, wilde zwijnen, varkens, koeien, kalkoenen, kippen, uit het leven geschoten of na een ellendig bestaan in de bio-industriestallen allesbehalve zachtzinnig in de slachthuizen om het leven gebracht. Overal op de kerstmenu’s walgelijke dingen als ganzen- en eendenlever (foie gras). Het onbeschrijflijke leed dat daarvoor geleden wordt laat ons koud, verdringen of bagatelliseren we. We laten toe dat wezens die meer met ons overeenkomen dan dat zij van ons verschillen, lijden en sterven voor ons plezier. We hebben de dieren in feite buiten onze verantwoordelijkheid geplaatst, waardoor hun leed en dood irrelevant of acceptabel wordt gevonden. Zij die er op wijzen dat dieren gevoelens, emoties en eigenschappen hebben die ook wij bezitten worden honend weggezet als ‘antropomorfisten’ en wereldvreemde dromers. Wel, ik ben zo’n wereldvreemde antopomorfistische dromer en ik beschouw dat als een geuzentitel. Albert Schweitzer sprak eens de indrukwekkende woorden: “Ik wil leven te midden van leven dat wil leven”.  Het gemak waarmee de mens de levenswil van andere dieren negeert staat in schril contrast met het massale rouwbeklag dat wordt opgebracht bij menselijke tragedies als MH17, nine-eleven, Parijs etc. Stille tochten, condoleanceregisters, massale herdenkingsplechtigheden, vlaggen halfstok, niets is te veel. Wij lijden aan ‘speciesisme’ – een vooroordeel of vooringenomenheid ten gunste van de belangen van de eigen soort, die tegen de belangen van andere soorten ingaat – en analoog is aan racisme en seksisme. 

Het wordt hoog tijd dat we beseffen dat dieren geen boodschap hebben aan onze feesten en tradities en gewoon willen leven naar hun aard zoals ook wij dat willen. Vrede op aarde is een illusie. Zeker zo lang we ook voor dieren niet het mededogen en respect kunnen/willen opbrengen dat ze verdienen. Fijne feestdagen.


maandag 2 november 2015

Vlees onder vuur


Onder deze wat cryptische titel staat een redactioneel commentaar van Aan Dirk van de Meulen in de Leeuwarder Courant van 28 oktober. Van der Meulen gaat in op de berichtgeving over het WHO-rapport waarin een relatie wordt gelegd tussen het eten van (rood en bewerkt) vlees en kanker.   

De brancheorganisaties reageren zoals verwacht kon worden: ‘Het valt allemaal wel mee, want de hoeveelheden die de WHO noemt worden hier niet geconsumeerd’. Het is bijna een ‘aha-erlebnis’ wanneer je de reacties leest en hoort op dit rapport. Immers in de tachtiger jaren toen het roken ‘onder vuur’ kwam te liggen werd er ook driftig ontkend, gerelativeerd, bestreden en geridiculiseerd. Veelzeggend in hun onbeholpenheid zijn veel commentaren. Zoals in een artikel in dezelfde LC op de pagina er naast. “Je moet toch ergens dood aan gaan. Motorrijden is ook gevaarlijk, vliegen ook”!! Wegkijken dus! Het zou ieder mens moeten aanspreken om een ziekte als kanker die zoveel pijn, verdriet en rouw brengt zo ver mogelijk van ons weg te houden. Ook kunnen deze reacties veroorzaakt worden door angst en/of de wetenschap dat de waarschuwing reëel is en dat dat zou kunnen betekenen dat we onze levensstijl wel eens drastisch zouden moeten wijzigen.

Toen ik, zo’n acht jaar geleden, besloot definitief te stoppen met eten van vlees had ik daarbij niet in de eerste plaats mijn eigen gezondheid op het oog. Het gruwelijke leed en onrecht dat we dieren aandoen voor een product waar we goed zonder kunnen, maakte dat ik het punt had bereikt waarop ik mezelf niet meer in de ogen kon kijken zonder diepe schaamte. Schaamte voor het lijden en sterven van zestig miljard(!) landdieren en duizend miljard(!) zeedieren per jaar, wereldwijd, voor menselijke consumptie. Hoe lekker ik vlees ook vond en nog steeds zou vinden, ik zal het nooit meer eten. Ik hoop dat het mijn eigen gezondheid ook ten goede zal komen. Maar dat acht ik ondergeschikt aan het leed en onrecht dat ik mede wil bestrijden.

Van der Meulen wijst er nog op dat we de voordelen van vlees moeten blijven benadrukken: ijzer, proteïnen en vitamines. Ach, er zijn in dit land zevenhonderdvijftigduizend tot één miljoen vegetariërs en veganisten. Die krijgen hun ijzer, proteïnen en vitamines moeiteloos binnen zonder dat daar dieren het loodje voor hoeven te leggen. En ze zijn waarschijnlijk ook nog gezonder dan veel vleeseters. Ook de relatie tussen genieten, gezondheid en kwaliteit van leven is niet afhankelijk het stukje vlees dat velen nog zo hartstochtelijk op ons bordje willen zien prijken. 

Verontrustend


We kampen momenteel met het ‘verontruste burgersyndroom’. Colonnes testosteronbommen, verkrachters, rovers, djihadisten en gelukzoekers die onder de verzamelnaam vluchtelingen ons land binnenkomen zorgen voor verontrusting onder een groot deel van de burgers. Zo verontrust dat andere burgers die een meer genuanceerd standpunt hebben, wat minder verontrust zijn, en dat proberen uit te dragen worden geconfronteerd met een op de muziek van ‘Tararaboemdiejee’ gearrangeerde tekst: ‘Daar moet een piemel in’. Kennelijk maakt verontrusting onvermoede creatieve talenten los bij verontrusten. En kampioen verontruste Geert Wilders hoort het aan en ziet dat het goed is.

Sommige verontrusten vragen zich af of ze hun dochters ‘s avonds nog wel over straat kunnen laten gaan. Ja, verontrustend als je je eigen dochters niet meer vertrouwt.

Ook het WHO-rapport dat waarschuwt tegen een al te enthousiaste inname van rood en bewerkt vlees zorgt voor verontruste consumenten. Minister Schippers zei echter niet zo verontrust te zijn en adviseerde de verontrusten om gewoon door te gaan hun vleesconsumptie. Want een vermindering van de vleesproductie zou pas écht verontrustend zijn. Voor de economie wel te verstaan.  Daar was men destijds ook zo verontrust over dat besloten werd niet-verontruste burgers gewoon onwetend te laten van de aanwezigheid in hun buurt van bedrijf waar de Q-koorts heerste. Daar werd Marianne Thieme van PvdD dan weer -  terecht - verontrust over en beschuldigde regering van ‘dood door schuld’.

Wat mij verontrust is de afnemende tolerantie, verrechtsing, haat- paniekzaaierij, de korte lontjes en lange tenen, de onbeschaamde grofheid die men zich op de sociale media meent te kunnen en mogen veroorloven. Vaak beroepen deze schreeuwers zich er op dat zo verontrust zijn en die verontrusting alleen maar op deze wijze duidelijk kunnen maken. Bangelijke politici en t.v.-presentaoren haasten zich dan begrip te vragen voor de onbeholpenheid, de onmacht zich genuanceerd te kunnen uitdrukken, de domheid, het gebrek aan empathie van de verontruste burgers. Echter de wijze waarop veel van deze lieden menen hun platvloerse 'meningen' de samenleving in te kunnen boeren heeft met verontrusting niks te maken en is niet meer dan schaamteloosheid en een volslagen gebrek aan beschaving en fatsoen. Dat is pas verontrustend.

zondag 18 oktober 2015

Shoppen en ander wereldleed..................

Hoewel wij als echtpaar veel overeenstemmende interesses hebben is er één ding waarin we lijnrecht tegenover elkaar staan: shoppen! En onder shoppen versta ik het eindeloos in- en uitgaan van vele mode- en schoenenzaken, vaak resulterend in de aankoop van de blouse, het jasje, het sjaaltje dat in de eerst bezochte zaak meteen al de aandacht trok. Mijn diepe afkeer van deze bezigheid heeft mij doen toetreden tot het wat meelijwekkende soort mannen dat heel herkenbaar, eenzaam, voor de winkelpui somber staat te wachten dan wel, steelse blikken naar binnen werpend, wat verlegen heen en weer drentelt. Alleen als het pokkenweer is ga ik mee naar binnen, wat dan zowel voor mij als mijn vrouw het er niet vrolijker op maakt. Ik schijn wanneer het me te lang duurt - en dat is gauw zo -  in een soort gezucht te vervallen dat haar zenuwachtig maakt waardoor ze zich niet meer goed kan concentreren op een verantwoorde aankoop. Het gevolg laat zich raden........................ Maar soms is er een stoel of nog beter, een lees/koffietafel. Daar ligt dan vaak een 'Telegraaf', wat mij dan weer niet vrolijk maakt, of een modeblad wat ik ook geen spannende lectuur vind. Maar goed, even zitten is ook wel lekker. Soms tref ik een lotgenoot daar. We kijken elkaar eens aan, zuchten nog maar eens diep en weten van elkaar hoe het is. Soms komt het tot een kort gesprekje maar meestal heerst er een dof, berustend stilzwijgen.
Onlangs hadden we vrienden op bezoek. We hadden besloten met z'n vieren naar Franeker te gaan, een mooi oud stadje in het noordwesten van ons mooie Friesland. Na de auto geparkeerd te hebben liepen we de stad in. Ik merkte al gauw dat het geen toeristisch wandelingetje zou worden, want de dames koersten zeer doelbewust richting modeboer in het centrum. Vies, druilerig weer, dus de mannetjes gingen mee naar binnen. Jahaaaa..............! Een koffiehoek. En zowaar een koffiehoek met enig gevarieerd leesvoer, naast de kennelijk onontkoombare 'Telegraaf'. Na ons geïnstalleerd te hebben kwam een vriendelijke dame vragen of we koffie beliefden. Ja graag! Mét een koekje nog wel! Intussen had zich een oude dame aan de tafel vervoegd. Met behulp van een rollator en haar (schoon?)dochter werd ze geïnstalleerd waarna haar metgezellin zich weer de krochten van de winkel begaf teneinde naar geschikte kledingstukken op zoek te gaan. Het bleek een lief oud dametje te zijn dat zich bediende van een lekker Stadfries dialect. Ze begreep de reden van onze aanwezigheid intuïtief. Ook zij kreeg koffie. Mét een koekje. Maar die koekjes zitten tegenwoordig in een weerbarstig soort verpakkingsmateriaal. Ik had intussen gemerkt dat zij zo goed als blind was en ze kreeg het koekje dan ook niet uit het omhulsel. Dat heb ik toen maar even gedaan.
Even daarna kwamen er twee mannen(!!) ons gezelschap houden. Ook hun dames waren op ontdekkingsreis door de zaak. Spontaan ontspon zich een gesprek dat onvermijdelijk begon met ons wederzijds te beklagen over....................... Het was goed met gelijkgezinden en de bejaarde sympathisante  bij elkaar te zijn en elkaars leed te delen. Al spoedig kwamen we van het shoppingleed op de andere wereldproblematiek. Oranje, niet het dorpje dat onder het aantal vluchtelingen dreigde te worden bedolven, maar het voor EK uitgeschakelde voetbalteam. Eens waren we het over de zwakheid van dit elftal, de over het paard getilde voetbalmiljonairs, de verkeerde tactiek, het grote geld dat alles had verknoeid enz. Moeiteloos tilden we vervolgens de conversatie naar de vluchtelingen. Godzijdank geen xenofobe, opruiende opvattingen, maar alle begrip voor de nood van de ontheemden en de noodzaak ze te helpen.
Zo  nu en dan kwam een van de dames even iets showen en dan werd er goedkeurend gereageerd door manlief wat ons dan weer de gelegenheid gaf het onderwerp verder uit te diepen. Ook eensgezind waren in onze afkeer van beroepsopruier Geert Wilders c.s. Kortom, wat een eensgezindheid tussen mensen die elkaar nog eerder hadden ontmoet en vrijwel zeker elkaar daarna ook nooit meer zouden ontmoeten. Het werd zowaar gezellig! Het biertje ontbrak er nog aan. Maar de koffie was goed en het koekje ook. En ook de vrouwtjes hadden hun draai gevonden, hun inkopen gedaan en dronken nog gezellig even een kopje koffie mee.

donderdag 8 oktober 2015

Een nieuw Nederland

Ik raak de greep op dingen kwijt. Ik weet het niet meer. Nederland en Europa worden overspoeld met vluchtelingen uit voornamelijk Syrië. Een land waar een verschrikkelijke burgeroorlog heerst, reliwaanzinnige terroristen dood en verderf zaaien en de politieke grootmachten hun eeuwige machtsstrijd strijden. Honderdduizenden mensen zijn die hel ontvlucht. De meesten hebben een plek gevonden in de landen in de regio. Maar ook daar is weinig perspectief voor een draaglijk leven. En dus neemt men de wijk naar West-Europa. Duitsland is het beloofde land, evenals Zweden en in iets mindere mate Nederland. Bij tienduizenden komen ze binnen. Op zoek naar een leven zonder terreur, marteling, rechteloosheid en angst.

zaterdag 1 augustus 2015

Mensen en andere dieren.

Vreemde titel? Hoezo? Dacht je dat mensen geen dieren zijn? Beesten zijn het vaak, maar dat is een ander onderwerp. Ik kwam hierop na het lezen van een prachtig opinie-artikel enige tijd geleden. Daarin stelt een aantal moeders het vraagstuk van de zuivel(productie en -consumptie) aan de orde.
De melkveehouderij is gebaseerd op diefstal, uitbuiting en meedogenloosheid. Met name de wrede scheiding van moeder - de koe - en haar kind - het kalf - zou voor ieder mens al reden genoeg moeten zijn nooit meer een slok melk, een plakje kaas of een lik boter te consumeren. Vrijwel meteen na de geboorte worden moeder en kind van elkaar gescheiden. Het artikel stelt terecht dat alle moeders instinctief hun kind bij zich willen hebben en verzorgen tot het moment dat het zijn eigen weg gaat. Omgekeerd weet een kind zich veilig en geborgen bij de moeder. Dat is voor mensen niet anders dan voor koeien. De melk die moeder produceert is natuurlijk bestemd voor haar kind. Maar het is de mens die na haar kind te hebben weggeroofd ook nog de voor het kind bestemde melk van haar af neemt. Dat maakt ons tot de enige diersoort die melk drinkt na onze zoogperiode en dan ook nog van een andere soort!
Het is al lang bekend dat melk niet die fantastische eigenschappen heeft die Joris Driepinter ons destijds toeriep in de reclame. In feite is het beter geen melk(producten) te consumeren.


Er wordt mij en andere pleitbezorgers van een betere omgang met dieren vaak verweten dat we antropomorfisme bedrijven - het toeschrijven van menselijke emoties en gevoelens aan dieren. In de ogen van sommigen is dat bijna een doodzonde. De gretigheid waarmee dit begrip wordt losgelaten op mensen die het opnemen voor het gekwelde, in de steek gelaten, uitgebuite, miskende dier is opvallend. Je zou bijna denken dat een latent schuldgevoel er al bij voorbaat mee het zwijgen wordt opgelegd. Intussen is bekend door allerlei wetenschappelijk onderzoek dat dieren meer weten dan we denken en meer denken dan we weten. Dat veroorzaakt ook bij veel mensen een ongemakkelijk gevoel. Want ja, ze vinden natuurlijk dat je dieren niet onnodig mag laten lijden. En natuurlijk houden ze van hun hond of poes. En wee degene die Pluto of Minoes ook maar een honden- of poezenhaartje dreigt te krenken. En ze prijzen de intelligentie, trouw en slimheid van hun beestje. En wát zeg je? Eten ze in China honden? Wat zijn dat voor barbaren? En och, dat stierenvechten in Spanje, het is toch een grof schandaal zo'n arm beest in de arena een langzame dood te bezorgen? Nee, dan zijn we hier toch een stuk geciviliseerder. Nou, reken maar.
Ja oké, we hebben hier ongeveer drie miljoen 'sport'vissers die voor hun lol miljoenen vissen een haak door bek jagen en uit het water halen. Dat vinden ze leuk. Dat is hun hobby en daar hebben ze recht op. En het is ook zo goed voor de kinderen op die manier met de natuur in aanraking te komen. Wreed? Zeur nou even niet, man. Die beesten voelen niks en als ze al wat voelen dan doen ze dat op een wijze die niet te vergelijken met de manier waarop wij pijn ervaren. Hoe ik dat weet? Nou gewoon, dat weet ik. Trouwens hoe weet jij of ze wél pijn hebben? Nou, misschien zou ook het niet (zeker) weten reden kunnen zijn om maar niet te vissen? Gewoon het risico niet nemen? Ja zeg, kom nou, straks mogen we niks meer in dit land. Ik vis dus ik besta en daarmee basta!

Honden eten? Te walgelijk voor woorden. Tegelijkertijd wordt er nog een hamburger of een varkenslapje op de bbq gelegd. Wist je dat er per jaar in dit geciviliseerde land vijfhonderd miljoen(!!) dieren in de bio-industrie lijden en sterven om iets voort te brengen dat we niet nodig hebben, nl. vlees? Ja hé, ga nou even niet mijn eetlust bederven. Zitten we net hier gezellig te barbecueën, kom jij met je horrorverhalen op de proppen. Dat jij gras wilt vreten moet jij weten, maar je moet mij niet lastig vallen met je geitenwollensokkenideeën over die zielige dieren. Dat valt allemaal reuze mee. Natuurlijk zijn die boeren goed voor hun dieren. Het is toch ook hun brood? En heb je niet gezien hoe ze stonden te huilen toen al die dooie varkens in de grijpers hingen na de varkenspest? Hoezo krokodillentranen? En in die slachthuizen gaat het heus heel fatsoenlijk toe. Die dieren lijden niet meer dan strikt noodzakelijk. Ik eet vlees dus ik besta en daarmee basta!
De Partij voor de Dieren vormt het geweten van vleesetend, zuivelend Nederland. En zoals het vaak met een geweten gaat willen velen niets liever dan dat geweten het zwijgen opleggen. Vlees en kaas zijn lekker en we willen helemaal niet weten welk leed er achter schuilgaat. Op het moment dat het geweten aan ons gevoel voor mededogen en respect appelleert en daarmee ons genot dreigt te verstoren wordt het in een kastje gestopt, op slot gedaan. Kastje gaat pas weer open als de kust veilig is en we ach en wee en zielig en foei kunnen roepen over beroofde juweliers en bejaarden, door donker getinte mannen die met Marokkaans accent spreken. Hoe durven ze, dat tuig!
Wie wil der  nog een kippenpootje, jongens? Of een sateetje? Toe eet nou even door. Straks moet ik de helft weggooien. Blurp!

maandag 19 januari 2015

Vet gaaf of zwaar kut……………..




Donderdag in november. Ik bevind mij in de trein die om 11.48 uur zich als intercity van Zwolle richting Roosendaal dient te begeven. Dat eindpunt zal ik niet bereiken. Mijn voorlopig doel is Deventer alwaar ik over moet stappen in de trein naar Apeldoorn. Daar heb ik een afspraak met mijn echtgenote.
De trein is nog tamelijk leeg als ik instap. Even later komen er meer mensen binnen, voornamelijk jonge  lieden, vermoedelijk studenten. Op de stoel tegenover mij neemt een jong meisje plaats. Blond haar, een leuk open gezichtje met een grappig wipneusje. Aan de andere zijde van het gangpad strijken tegelijkertijd eveneens twee jongedames neer, ook niet onaardig! Alsof het afgesproken is trekken ze alle drie gelijktijdig hun mobiele telefoontjes, terwijl zo op het oog ze in geen enkel relatie met elkaar staan. Het meisje tegenover me begint enthousiast te sms-en, de andere twee vangen op gepast gedempte toon een gesprek aan. Dan komt er een jongen binnen. Zijn entree leidt tot een blij verraste verbazing van mijn overbuurvrouw. “Ah, joh, je bent er wél! Ik zat je net te sms-en!”. Hij ziet haar wel zitten en neemt met een dweperige blik naast haar plaats. Onmiddellijk verzinken ze in een levendig gesprek, doorspekt met veel scholierenvaktaal die ik maar gedeeltelijk kan bevatten. Economie is kennelijk niet haar favoriete vak want ze “kan er maar niet toe komen er mee aan de gang te gaan, terwijl we morgen de héééle dag economie hebben”. Wel nee, riposteert haar collega, “We hebben morgen ook nog BMI……., toch?” Terwijl ik mij suf zit te prakkiseren wat BMI nu weer is, neemt naast mij nog dame plaats. Ze heeft wat tijd en ruimte nodig om zich te nestelen want ik krijg een paar maal een elleboogje van haar in mijn zij. Gewillig schuif ik nog een eindje naar het raam op. En ja hoor, ook hier wordt een gsm opgediept uit de krochten van haar handtasje. Met twee geroutineerde duimen begint ze als een razende een bericht te construeren, hetgeen gepaard gaat met de kennelijk onvermijdelijke piepjes. Het wordt een lang verhaal, constateer ik als ik besmuikt vanuit mijn ooghoeken toekijk.
Intussen ontwikkelt de conversatie van de twee tegenover mij zich van het schoolgebeuren nu meer in de richting van de bijbaantjes annex uitgaansleven. Het geluidsvolume van hun dialoog is dusdanig dat het godsonmogelijk is niet mee te luisteren! Ze blijken allebei iets te doen in het horecawezen en worden daar kennelijk voornamelijk aan de gang gezet met schoonmaakwerkzaamheden dan wel karweitjes van gelijke strekking. Dat ze nou echt opgaan in hun werk kan niet worden opgemaakt uit wat ze elkaar hierover mede te delen hebben. Zij: “Nou ja zeg, toen moest ik van die eikel ook nog alle tafels gaan schoonmaken. En dat vond ik gewoonweg zwaar kut want daarom kwam ik vet laat in de kroeg! Maar goed, we hebben enorm gezopen en dat was eigenlijk ook wel weer vet gaaf! Toen had ik écht zoiets van zeg maar het kan me allemaal geen ene fuck schelen, ik ga zuipen!” Hij: “Ja, ik moet ook steeds van die kutkarweitjes opkanppen. Zwaar klote allemaal. Maar je moet je gewoon wat vaker ziek melden, dat kan gerust, want ze controleren toch niet!” Het lijkt haar een interessante suggestie.
Mijn belendende dame is nog bezig met haar sms-verhaal. Soms pauzeert ze even en dan klinkt er al vrij snel een tingeltangeltje, waarschijnlijk een antwoord van gene zijde. Uiteindelijk is kennelijk alles wat meegedeeld en uitgewisseld wat meegedeeld en uitgewisseld  dient te worden en met tevreden zucht wordt het apparaatje dichtgeklapt en opgeborgen. Niet voor lang overigens want even later word ik opgeschrikt door een soort oerwoudkreet die als ‘ringtone’ uit haar handtas opklonk! Er wordt even druk gegrabbeld, want damestasjes, niet waar…………? en ja, het onmisbare communicatiemiddel bevindt zich bij haar lieve oortje. “Ja!”, is haar tamelijk summiere melding. “Nee, ik heb dit nummer nog niet zo lang, dus dat kan niet……………… Nou, dat kan ik niet geweest zijn, hoor! Hoe lang? Nou, een week of drie. Nee, daar heb ik geen belangstelling voor. Nee, ook niet. Ja, dat is goed, daag!”
Aan de overzijde gaat het allemaal nog zeer geanimeerd over alles wat jonge levens klaarblijkelijk heden ten dag zoal bezig houdt. Er wordt nog heel wat afgekut en gefuckt. Ook het aantal zeg maars en dan heb ik zoiets vans zijn  niet van de lucht. Ik kijk quasi geïnteresseerd naar buiten, hoewel het voorbijsnellende landschap daar niet de minste aanleiding toe geeft en verzink in allerlei bespiegelingen over de zegeningen van de moderne communicatiemiddelen, waarbij ik mijzelf voorhoud godzijdank niet aan die gekte mee te hoeven/willen doen. Op dat moment gaat mijn eigen mobiele telefoon! Mijn vrouw! Zij wil mij waarschuwen dat er waarschijnlijk geen treinen rijden van Deventer naar Apeldoorn wegens een ongeluk. “Is goed. Ik vind het wel zwaar kut trouwens. Moet ik nu met de bus? Ik weet geen fuck van die dienstregeling af. Is het zeg maar niet beter dat je me even uit Deventer haalt? Ik denk dat we anders vet laat in Arnhem aankomen. Ik heb nu zoiets van dit is zwaar klote, weet je! Ik bel je nog wel!”
Het gesprek aan de overkant stokt en twee paar jongen ogen kijken mij ietwat onthutst en gegeneerd aan. Ik glimlach hen minzaam toe! Ook naast mij verneem ik enige onrust. Ah, daar is Deventer. Vet gaaf!