De straat waar ik ben geboren en de eerste tien jaar van mijn leven heb doorgebracht lag in een arbeiderswijk. Tegenwoordig heeft men het over een volkswijk. Maar niet elke volksgenoot is arbeider en dat was daar wel het geval. Het was een vreedzaam buurtje waar een zekere saamhorigheid heerste die incidenteel ook wel eens uitmondde in een wat al te nadrukkelijke sociale controle. Dat had dan soms ruzie tot gevolg. Meestal werd die verbaal uitgevochten maar een enkele keer kwam het wel eens tot handgemeen, wat wij als kinderen natuurlijk best wel spannend vonden. Echter normaal gesproken overheerste de lieve vrede en gezelligheid. Een aantal buurtgenoten waren voorzien van bijnamen, in die tijd niet ongebruikelijk. Ouwe Seg, Snorrewietske, Zwarte Nel, Sterke Bertus...…….. Vooral die twee laatsten herinner ik mij nog goed. Zwarte Nel was een grote, forse vrouw met pikzwart haar en een luide stem. Als er kinderen bij waren werd er in besmuikte termen over Nel gesproken. Een keer had een buurvrouw niet door dat ik me binnen haar gehoorafstand bevond en hoorde ik haar reppen van 'dat wief speult de hoer en laat hur kienders ferkomme'. Toen ik mijn moeder vroeg wat 'de hoer speule' betekende keek ze de andere kant uit en moedigde mij aan mijn boterham op te eten...……. Ze had geloof ik twee kinderen en ik zag vaak dat ze de jongste, een baby nog, al fietsende in een kinderwagen achter zich aan sleepte, hotsend en botsend.Haar man heette Anne. Een onooglijk, schriel manneke die regelmatig pak rammel van haar kreeg en dan vaak achter huis wat zielig heen en weer liep tot het Nel beliefde hem weer binnen te laten. Had Nel haar bijnaam te danken aan haar haardos, Sterke Bertus heette zo omdat ie inderdaad beresterk was. Een grote, gespierde man met een zware basstem. In het dagelijks leven de goedheid zelve, maar wanneer ie een borrel op had - meer dan één - moest je met hem uitkijken. Hij verdiende zijn dagelijks brood als uitsmijter in een café in de binnenstad van Leeuwarden. Naar verluidt viel er ook daar niet met hem te spotten. Menige lastige drinkebroer eindigde ruggelings op stenen van het Ruiterskwartier. Bertus had een herdershond die geloof ik Hertha heette. Hij was ontzettend wijs met dat dier en kwam eens erg kwaad bij ons aan de deur omdat mijn broer Jan een schoppende beweging naar Hertha zou hebben gemaakt. Dat was ook zo, want Jan was zich rot geschrokken van de uitval die ze naar hem had gedaan toen hij op zijn PTT-motor langs haar reed. Een schopreflex is dan gauw gemaakt. Maar Bertus koos de kant van Hertha en gaf mijn moeder het dringende advies haar 'seun' op de hoogte te stellenen van de gramschap die bij Buurman Bertus was opgewekt en dat 'als ie het nog een keer weer flikte...………..' Mijn moeder was echter ook niet op haar mondje gevallen en na haar stevige verbale verweer droop Bertus mopperend af. Ik noemde iedere man en vrouw in de straat 'buurman' en 'buurvrouw'. Als Sterke Bertus langs fietste groette ik hem met : "Ha buurman". Hij keek me dan aan en zei lachend: "Dag seun"! 't Was gewoon een goeie kerel.